Waar kijk jij naar?

Waar kijk jij naar?

Kijkend door het raampje van de voordeur Ziet ze de buurvrouw die naar haar werk vertrekt. De spelende kinderen op de stoep. De hond die dwars door het gemeenteplantsoen rent en tegen het paaltje ‘blijf op de paden’ plast. Ze ruikt de zoetigheid van de taartjes van de bakker om de hoek.

Kijken door het raampje van de voordeur Leunt ze haar lijf nog een beetje naar voren, zodat ze rond kan kijken. Voelt ze haar verlangen en mistroostigheid. Ze kijkt naar de lucht en vraagt zich af welke jas ze aan zal trekken. Wat ze zal zeggen als de buurvrouw groet. Of ze de fiets zou pakken, of niet.

Kijkend door het raampje van de voordeur Legt ze haar hand de deurknop. Als ze de deur opendoet, wat dan? Iedereen zou haar dan zien staan. Of zal ze doorstappen, de drempel over. Maar wat wil ze meemaken en waar moet ze dan naar toe?

Kijken door het raampje van de voordeur Haar hand lijkt vast te kleven. Vertwijfeling speelt haar parten. Is vandaag wel een goede dag om er op uit te gaan? Kan het eigenlijk wel? Of zou ze eerst nog ….

Kijkend door het raampje van de voordeur Voelt ze angst, afkeuring, schaamte, verdriet. Is ze alleen maar aan het afwegen. Wensend, verzuchtend, verlangend, vegeterend.

Kijkend door het raampje van de voordeur Laat ze haar schouders hangen en de deurknop los. Draait ze zich om. En ziet de spiegel in de hal.

Kijkend naar de spiegel in de ze zichzelf. En haar leven begon.